Keuze, gebruik en onderhoud van gehoorbeschermers

Word je dagelijks blootgesteld aan lawaai dat hoger is dan 80 dB(A) of piekgeluidsdruk hoger dan 112 Pa? Dan moet je passende, naar behoren aangemeten, individuele gehoorbeschermers krijgen. Dit is vastgelegd in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor de keuze, het onderhoud en het gebruik van deze gehoorbeschermingsmiddelen is een Europees geharmoniseerde norm opgesteld.

De norm die het kiezen, onderhouden en gebruiken van gehoorbeschermers behandelt, is in 2004 ontwikkeld vanuit het European Committee for Standardzation (CEN). In 2016 is deze norm vernieuwd (EN 458:2016 Hearing protectors - Recommendations for selection, use, care and maintenance - Guidance document). In de praktijk blijkt deze norm echter weinig gebruikt te worden, waardoor niet altijd de juiste demping van de gehoorbeschermer wordt vastgesteld.

Niet te veel, niet te weinig

Het spreekt in eerste instantie voor zich dat gehoorbeschermingsmiddelen voldoende demping moeten bieden. Dat wil zeggen dat gehoorbeschermers het geluidsniveau in de gehoorgang in ieder geval moeten terugbrengen tot beneden de schadegrens van 80 dB(A). De demping moet dan ook worden afgestemd op de gelijksoortige geluidsniveaus in de omgeving: te weinig demping is niet goed, maar te veel ook niet.

Bepalen demping

Een te grote demping kan de gebruiker het gevoel geven afgesloten te zijn van de omgeving. Maar dat niet alleen: er kunnen problemen door ontstaan bij zowel de noodzakelijke communicatie als bij het waarnemen van waarschuwingssignalen. Vandaar dat men er meestal naar streeft het geluidsniveau in de gehoorgang te reduceren tot een waarde tussen 70 en 80 dB(A). Vanuit de norm EN 458:2016 worden drie methodes aangereikt om de benodigde demping van de gehoorbescherming te bepalen. Dit zijn de octaafbandmethode, de SNR-methode en de HML-methode. Een goed geluidsonderzoek en  geluidsrapportage zijn van essentieel belang om de demping van gehoorbescherming te bepalen. Deze geluidsmetingen moeten worden uitgevoerd conform de EN-ISO 9612:2009 - Akoestiek - Bepaling van de blootstelling aan geluid op de werkplek - Praktijkmethode. Voordat je met het geluidsonderzoek begint, is het aan te raden om te bepalen welke methode je gaat gebruiken om de demping van de gehoorbeschermers te bepalen. Van de drie bestaande methodes is de octaafbandmethode de meest betrouwbare omdat de andere twee globaler zijn opgezet. In de praktijk wordt echter de SNR-methode het  meest ingezet, omdat deze eenvoudig uit te voeren is en een snelle indicatie geeft. Maar dit is de minst nauwkeurige methode.

De octaafbandmethode

De meest nauwkeurige methode om de demping te bepalen, is die waarbij men uitgaat van het frequentiespectrum van het geluid. Fabrikanten van gehoorbeschermers specificeren de demping van hun producten als functie van de frequentie in octaafbanden. Deze specificatie hoort gebaseerd te zijn op een proef, uitgevoerd volgens NEN-ISO 4869-1. Allereerst moet je beschikken over een octaafspectrum van het geluid op de werkplek waar de gehoorbeschermers moeten worden toegepast. Met behulp van de gegevens van de fabrikant kun je vervolgens berekenen hoe hoog het geluidsniveau in de gehoorgang zal worden, bij toepassing van de bewuste gehoorbeschermer. Dit doe je door voor elke octaafband het op de werkplek gemeten niveau te verminderen met de zogenoemde ‘aangenomen demping’. De aangenomen demping is de gemiddelde waarde van de gespecificeerde demping bij die octaafband, verminderd met tweemaal de ook opgegeven standaarddeviatie (sd), ook wel de effectieve demping.

SNR-methode

De snelle indicatie van de te kiezen gehoorbescherming is via de SNRmethode. SNR staat voor Single Number Rating en geeft één getal. Hiervoor moet het gemiddelde geluidsniveau over een werkdag (equivalent) gemeten worden. Vervolgens trek je hier de SNR-waarde vanaf. De SNRwaarde wordt vastgesteld door de fabrikant. Je vindt deze waarde terug in de gebruiksaanwijzing en op de verpakking van het betreffende gehoorbeschermingsmiddel. Als bijvoorbeeld het equivalent 95 dB(A) is en de aangegeven SNR-waarde 20 dB, is de geluidsbelasting op het gehoor 75 dB(A). Door op deze wijze het te verwachten geluidsdrukniveau op het oor te berekenen, krijg je slechts een ruwe indicatie. De SNR-methode is de meest gebruikte methode als je niet over een volwaardig geluidsonderzoek of rapportage beschikt en toch moet vaststellen welke type gehoorbeschermer de juiste is.

De HML-methode

De HML-methode beoordeelt het geluidsniveau op basis van drie verschillende frequenties. Als de fabrikant deze frequentiewaardes in de gebruiksaanwijzing heeft vermeld, kan met behulp van deze, meer nauwkeurige, HML-methode een keuze voor gehoorbescherming worden gemaakt.

Hygiëne en onderhoud

De EN 458:2016 gaat ook in op onderhoud en vervanging van gehoorbeschermers. Hierbij wordt vooraf verwezen naar de gebruikersinstructie van de fabrikant. Speciale aandacht wordt gevraagd bij het hygiënisch houden van gehoorbeschermers die dagelijks gebruikt worden: een van de adviezen is om bij oorirritaties of andere klachten (zoals ontsteking) direct een arts te raadplegen. Vooral in een vuile industriële omgeving is een goede reiniging en tijdige vervanging van onderdelen zoals gehoorkappen van groot belang om een goede demping te behouden. Ook moet de gebruiker het gehoorbeschermingsmiddel dagelijks controleren op mogelijke gebreken.

Fittest oftewel lektest

Verder wijst de EN 435:2016 op de noodzaak van een zogenaamde periodieke fittest of lektest (test of de gehoorbeschermer nog voldoende dempt). De norm maakt hierbij onderscheid tussen inwendige gehoorbescherming zoals de otoplastiek, oorpluggen etc., en de uitwendige gehoorbescherming zoals de oorkappen. Met name bij gehoorbeschermers die over een langere tijd gebruikt worden, adviseert de norm om een fittest uit te voeren. In de norm vind je hiervoor een aantal methodieken. Voor otoplastieken wordt aanbevolen de fittest in ieder geval uit te voeren bij het leveren aan de gebruiker. Het periodiek herhalen van een fittest is afhankelijk van een aantal factoren. Zoals het geluidsniveau waar bescherming tegen gegeven moet worden en de omgevingsfactoren die invloed kunnen hebben op de kwaliteit van de gehoorbeschermer. Ook individuele eigenschappen van de gebruiker, bijvoorbeeld op basis van medische gronden, kunnen een factor zijn. Hoe kritischer de factoren, hoe vaker een periodieke fittest noodzakelijk is. Op de internetsite van de Nederlandse overheid (Arboportaal) wordt aangegeven dat otoplastieken jaarlijks moeten worden gecontroleerd op lekkage en voldoende dempende eigenschappen (Bron: https://www.arboportaal.nl/onderwerpen/gehoorbescherming). Dit is echter afhankelijk van de omstandigheden waarin otoplastieken worden gebruikt en moet vanuit de verdiepende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) nader worden vastgesteld, dit op grond van artikel 8.2 van het  Arbeidsomstandighedenbesluit. Er zijn drie redenen waarom de fittest wel van grote toegevoegde waarde is. Ten eerste geeft deze aan of de otoplastieken nog voldoende afsluiten. Daarnaast kun je hiermee zeker stellen of het dempingsfilter nog voldoet.

En tot slot creëer je een bewustwordingsmoment voor de  drager, om te realiseren hoe belangrijk het is om je gehoor te beschermen.

Meer weten?

Neem voor meer informatie contact op met uw Customer Service medewerker.