|
Nieuwe handhavingrichtlijn Arbeidsinspectie
24.12.2008:
Werken met gevaarlijke stoffen en de toepassing van persoonlijke beschermingsmiddelen Dat wil zeggen dat de werkgever: Indien redelijkerwijs geen technische-, organisatorische- of collectieve beschermingsmaatregelen aan de bron kunnen worden genomen en de werkgever pbm’s wil toepassen, om daarmee de gevaren van blootstelling aan gevaarlijke stoffen op te heffen, moet aan de volgende voorwaarden volgens de handhavingrichtlijn worden voldaan: 1. Een (stappen)plan van aanpak, waarin duidelijk is aangegeven wanneer de pbm’s door de andere beheersmaatregelen voortkomend uit de arbeidshygiënische strategie worden vervangen. 2. Per te nemen stap moet worden onderbouwd dat de inzet van het pbm’s, afgezet tegen de aard en de duur van het gebruik, niet tot onaanvaardbare gezondheidseffecten voor de werknemers leidt. Bij 'effecten op de gezondheid' moet niet uitsluitend van de bescherming tegen gevaarlijke stoffen worden uitgegaan. Ook moet worden gedacht aan mogelijke effecten op de gezondheid van het pbm zelf. Hierbij moet men onder andere denken aan onaanvaardbare verhoging van de lichaamstemperatuur of te zware lichamelijke belasting. Onderdeel hiervan kan zijn: systematische gezondheidsbewaking. Als dan negatieve gezondheidseffecten worden gesignaleerd, kunnen alsnog nadere maatregelen worden genomen. 3. Per stap moet worden onderbouwd waarom andere, verdergaande maatregelen uit de arbeidshygiënische strategie redelijkerwijs niet (eerder) kunnen worden genomen. Situaties met het gebruik van pbm’s bij werkzaamheden met gevaarlijke stoffen. Vanuit de richtlijn worden drie situaties bij het gebruik van pbm’s onderscheiden: 1. Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen is van tijdelijke aard. Voor het overbruggen van een periode waarin aanpassingen aan de werkprocessen worden uitgevoerd, kan het nodig zijn dat een werkgever tijdelijk pbm’s inzet. De reden is dat tijdens deze periode alleen met de inzet van (extra) pbm’s voldoende bescherming tegen blootstelling aan gevaarlijke stoffen kan worden bereikt. In de argumentatie zal nadrukkelijk moeten worden ingegaan op de keuze(s) voor de tijdsduur dat de pbm’s worden ingezet en op de aard (beschermingsfactor) en belasting van de pbm’s. De argumentatie zal voorts inzichtelijk moeten maken waarom niet eerder zonder, of met minder belastende pbm’s, hetzelfde doel kan worden bereikt. 2. Het gebruik van persoonlijke bescherming is blijvend en van korte duur per arbeidstijd. Voor sommige kortdurende werkzaamheden is het uit kostenoverweging niet rendabel om naar het volledig uitbannen van het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen te streven. Veel voorkomend is de inzet van pbm’s bij tijdelijke pieken in de blootstelling aan schadelijke stoffen. Zo zal bij het aan- en afkoppelen van bijvoorbeeld slangen ten behoeve van het afvullen van gevaarlijke stoffen, gedurende korte tijd per werkdag, de bescherming effectief met de inzet van pbm’s kunnen worden bereikt. Bij het begrip 'korte tijd' ligt er een relatie met de werkprocessen in het betreffende bedrijf. De werkzaamheden waarvoor ‘voor korte tijd' pbm’s nodig zijn, vormen dan een klein onderdeel van het totaal aan werkprocessen. 3. Het gebruik van pbm’s is altijd gedurende het gehele of grootste deel van de werkzaamheden nodig. Bij sommige werkzaamheden is het niet goed denkbaar dat deze ooit zonder de inzet van persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen worden uitgevoerd. Voorbeelden zijn: het slopen van asbesthoudende materialen, bepaalde schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden in de chemische industrie en werkzaamheden in scheepsruimen. Voor nadere informatie over de richtlijn kunt u contact opnemen met onze hogere veiligheidskundige Jos Putman, T +31 (0)78 618 14 00 of E j.putman@intersafe-groeneveld.nl
|
|





